Kijk Pappa eens mooi sterven!

Over, s werelds meest beruchte fietstocht praten is een ding, eraan mee doen een ander.
Onderweg roept het gemartelde lichaam, zijn eigenaar voortdurend ter verantwoording voor dat onzalige plan.
Het enige dat nog functioneert, zijn de dierlijke instincten: eten, drinken, wateren.
Geen oog voor de omgeving, geen zinnige gedachten. Of toch, een ding: Dit nooit weer!

 

Het gebeurt op mooie pinksterdag, ergens in de Ardennen tussen Bourcy en Vielsalm.
Een man in een mal truitje ligt in het gras naast de weg. Zijn fiets staat slordig tegen een boom en hij huilt hartverscheurend. Wat is er? Mijn benen willen niet meer, ik heb diaree en mijn ketting is gebroken. Nu, dan geef je toch op? Dat kan niet. Mijn auto staat bij de finish in Tilff.

Waar kom je vandaan? Hij kan het zich niet herinneren. Hoe heet je? Na enig nadenken klinkt het fluisterend: Harrie uit Didam. Ik geef hem mijn laatste banaan, zeg dat hij flink moet uitrusten en klim weer op de fiets. Het leven gaat verder, ook voor mij.

Berucht.

Een half uur verder. Ik kijk op mijn routekaartje en zie dat de volgende stempelpost boven op de Wanne is gelegen.
Een beruchte col. In het groepje waar ik aan de staart hang, wordt gegniffeld.
De conversatie leert dat er wat debutanten tussen zitten. En die weten niet dat achter het kerkje in Grand Halleux de steile afdaling zomaar overgaat in een nog veel steilere klim.
Heb je voor de kerkspits niet klein geschakeld, dan rijd je net zo hard achteruit als eerst vooruit.
Dat is elk jaar dolle pret, behalve voor diegene die het overkomt.
Ook nu is het niet anders. Ineens gaat de weg omhoog en is het alle hens aan dek.

Ratelende tandwielen en gevloek in drie talen, Merde, Nondeju, Verdammt nog mal.
Uit de groep voor ons zakt een Duitser omlaag met een snelheid alsof hij uit een rijdende trein is gegooid. Scheisse.
Het wemelt er van de toeschouwers die bijna allemaal wel een familielid opwachten.
Kijk Carolien, daar komt papa. Zwaai eens naar papa.
Maar die heeft geen tijd voor flauwekul.
Waar is dat fototoestel, krijst hij met zijn laatste adem.
Dochtertje haalt de camera uit de auto en zoekt te midden van de dansende ruggen die van haar vader.
Papa, sta even stil dan maak ik een actie foto van je.
Maar papa zit te sterven op zijn fiets en is de bocht al om. Volgend jaar beter.
Na de Wanne zijn de volgende toppen, de Haute Levee en de Rosier, bijna een makkie.
De laatste heeft maar een stijgingspercentage van zes procent hebben kenners mij verzekerd.
Helaas hebben ze er niet bij gezegd dat de klim zes kilometer lang is.
Ik kan geen enkel wiel volgen en rijd als een dronkenman na kerkbezoek.
Gedurende zo een lange klim moet je in je ritme komen.
Het fietsen gaat dan automatisch en alleen het gehijg van de anderen, het bonzen van je slapen en het gesuis in je oren is hoorbaar.
Dan denk je aan heel andere dingen dan fietsen had deelnemer Wim v/d Broek me van te voren verzekerd.
Dan verzin ik bijvoorbeeld een leuk cadeautje voor een jarige.
Hoe hij daarbij komt weet ik niet. Ik denk maar een ding: waarom doe ik dit!
Mijn karkas kan nog net dat ouwe vrouwtje met die spaniël in dat fietsmandje bijhouden, maar die stopt bij haar boerderij, en weer ben ik alleen.
Tot hulp opduikt in de persoon van een vrouw die precies het zelfde tempo rijdt als ik.
Drie kilometer lang hang ik hijgend achter haar achterwerk.
 Op een van haar kuiten ligt een trosje spataderen dat zich omhoog kringelt tot vlak onder haar zeemleren wielerbroek.
Drie kilometer lang kijk ik tegen die spataderen aan.
In gedachten praat ik er ook tegen. Toe maar, nog even volhouden, lieve adertjes van me.
Sleep me naar boven.
Wij wisselen geen woord met elkaar, maar op mijn sterfbed zal ik dit als het meest romantische moment uit mijn wielercarrière koesteren.

De aderen beginnen steeds vervaarlijker te zwellen en we halen zo waar iemand in.
Nota bene een persoon de gehuld gaat in de regenboogtrui, het officiële teken dat men zich, werelds beste wielrenner mag noemen.
Zeker de verkeerde kleermaker.
Op het wegdek staan aanmoedingen gekalkt Allez Breukink. Alez Delgado. Alez Tim van der Kip uit Didam.
Ik moet de spataderen nu loslaten en word ook nog eens ingehaald door een bejaarde met het opschrift Jolly Club L, Amour op zijn rug, en vlak voor de top door een loslopende hond met een bal in zijn bek.
Dan is het leed tijdelijk geleden.
 Behalve voor de regenboogtrui die zijn riempjes vergeet los te trekken als hij afstapt en vol verbazing tegen het asfalt kwakt.
Tijd om te wateren. Ook dat is afzien.
Het zeemleer in de wielerbroek heeft een verwoestende uitwerking op de geslachtsdelen. Zij zijn als sneeuw voor de zon geslonken.
Een lotgenoot naast mij inde greppel slaat mijn zoekpartij gaande en sist: gewoon persen en als er ergens water uitkomt, zit daar je plasser.
En warempel, daar spuit het kostelijke nat al alle kanten uit.
De afdaling is koud en gevaarlijk.
De organisatie heeft bewoners van de omliggende boerderijen op het hart gedrukt hun huisdieren binnen te houden.
Steekt er toch onverwachts een hond over, dan heb je pech gehad.
De hond trouwens ook. Hier rust Pukkie. Hij had tijdens Luik Bastenaken luik een ongelukkie.
De gesprekken in het peloton komen weer op gang.
Pas dan merk je dat allerlei mensen voor hun lol op de fiets zitten.
Welhaast dierlijke types wier conversatie bestaat uit winden, boeren en rochelen evenals welgemanierde lieden met een academische graat.
Degene met wie ik keuvel is er zo een: op en top gentleman.
Het type dat zijn geld strijkt voor dat hij het in zijn portemonnee stopt.
Wij wensen elkaar geluk, want we zijn al in Remouchamps en het uur van de waarheid nader.
De col la Redoute.

Omhoog.

Daar ziet het zwart van de mensen. Het wegdek is nauwelijks te zien. Het viaduct onderdoor
en evenwijdig aan de snelweg naar boven. Ik ben op mijn hoede wetend dat het na de volgende bocht 18% omhoog gaat.
Aan de linkerkant laten de toeschouwers een smalle doorgang vrij.
In die krappe ruimte moet je je ook nog eens langs degenen wurmen die zijn afgestapt en met de fiets aan de hand naar boven lopen.
Tot overmaat van ramp proberen enkele zwakbegaafde automobilisten de helling op te rijden.
Een waar pandemonium barst los. Aan de baldadige stemming onder de toeschouwers kun je merken dat vele duizenden ons deze dag al zijn voorgegaan.
Ik zie Wim v/d Broek rijden, hij zit nog in het zadel, maar wat een witgetrokken bekkie.
Die denkt zeker niet aan een leuk cadeautje voor iemand op dit moment.
Pal voor me gaat bij iemand langzaam de kaars uit. De tapijtspecialist staat er op zijn rug.
Hij zwalkt van links naar rechts en blijft telkens als door een wonder op de been.
Door zijn capriolen belandt wel iedereen die hem wil passeren in het belendende weiland.
He, Karel hier roept een vrouw die haar wettige echtgenoot ziet zwoegen.
Karel stopt opgelucht, waardoor zes mensen achterhem het pikkeldraad in duiken.
Als ze er de fut nog voor hadden zouden ze hem op zijn bek timmeren.
Karel boft nog want vele renners hebben zich met helm en bril zo toegetakeld dat hun eigen vrouw hen niet eens herkent.
Heb jij Adri gezien, Nel: Wacht daar komt ie geloof ik. Met die groene helm op. Of toch niet.
Ben jij het Adri? Nee tuttebel, ik ben Adri niet, perst de aangesprokene uit zijn gefolterde longen.
We staan nu bijna stil.
Het is het gedeelte waar het stijgingspercentage tweeëntwintig % bedraagt.
In de bocht smakt de tapijtspecialist nu eindelijk tegen de grond, vier man in zijn val meesleurend.
De sponsor kan tevreden zijn, kamerbreed ligt hij daar op de weg.
Door mij met twee handen af te zetten tegen de naast mij rijdende gentleman ( deze tuimelt vloekend in de wei) blijf ik op de been en ontwaar in de verte de top.
Mij een weg banend door een haag van applaudisserende malloten geraak ik daar ook nog.
Op de top word ik van achteren aangereden door een rijdende banaan die bij nadere inspectie een ligfiets met kanariegeel omhulsel blijkt te zijn.
De bezitter ervan kijkt me aan of ik gek ben. Ietwat duizelig ga ik even zitten.

Zombie.

De rest staat mij niet meer zo helder voor de geest.
Ik schijn nog de Chambral te hebben beklommen en op de col de la Fraiture sterf ik die dag voor de laatste keer.
Als een Zombie kom ik over de de streep in Tilff, op een tijdstip dat in een aantal kroegen het bier al op is.
Toch een triomfje. Maar ,s nachts kan ik de slaap niet vatten.
Mijn gedachten gaan terug naar een boom, ergens tussen Bourcy en Vielsalm. Zouden ze Harrie uit Didam al gevonden hebben?

Gert Arentz.

gepubliceerd 31-05-2010
Voor de goede orde, de basis van dit verhaal komt van de A.D. de krant van juni 1992