Een halve marathon blijft een eind lopen.

 

 Reeds in de trein naar de hoofdstad, waar ik mijn eerste halve marathon zou gaan lopen, zag het blauw van de trainingspakken.

Ik was niet de enige, dat was wel duidelijk,  en ademloos luisterde ik naar de fantastische verhalen over de geneugten van de draafsport.
Peesverscheuringen, braakneigingen, en knieblessures.
Reuze spannend allemaal, en zo verteld dat ik besefte, dat ik van het loopleven nog weinig had meegemaakt.

Enigszins bedrukt verliet ik het Centraal station.
Gelukkig scheen een vrolijk zonnetje, zodat ik kon genieten van het uitzicht over een zee van sporters, die het Damrak licht deinend overdekte.
De vloed spoelde me naar het stadion, waar de inschrijving plaats vond.

Het was niet zo moeilijk te vinden, want de richting werd feilloos aangegeven door de toenemende vloed van vreemde geuren.
Overal stonden deelnemers zowel mannen en vrouwen zich met eigenaardige smeersels in te vetten, een neusverdovende lucht verspreidend.

O, wat zag ik allemaal sportieve benen en glanzende armen om mij heen!
Ik waande me in een reclame voor sigaretten, jenever of het SBS 6 promotie team.
Iedereen was hier gezond en mooi, zo ver het oog reikte zag ik mensen die 21 kilometer achter elkaar konden hardlopen.
Ik voelde mij kwabbig en zwaar en besefte dat ik nu met een pils op een terras in de zon moest zitten.  

Maar daar klonk al een vrolijke stem uit de luidsprekers: alle atleten moesten zich naar de startlijn begeven.
Nog een kwartier.
Links van mij stonden nog drie mannen van café Het Oude Paard die blijkbaar hun conversatie gisteravond, in een dronken bui hadden gewed dat ze het wel zouden halen.
Hup Arie!  klonk het uit de toeschouwers, nog een kopstootje?

Arie zweeg bedrukt en staarde naar zijn tennisschoenen. Nog tien minuten.
Ik begon me te ergeren aan een vrouw rechts, die in onjuiste kleding almaar enge oefeningen deed.
Doormidden knakken, scheurzit en springen, waarbij wel twintig lichaamsdelen tegelijk op en neer leken te wippen.

Maar gelukkig, nu begon iedereen van tien af naar beneden te tellen. Gezellig met zijn allen en bij ” nul” gebeurde er niets.
De zaak zat muurvast als in een hagelslagdoos  die je op zijn kop houdt: eerst moet je de voorste korreltjes los maken, dan komt de rest vanzelf!
Zo ging het ook hier: ruim een minuut na de start was er pas enige beweging mogelijk, en even later, ja daar gingen we dan.

Ach wat was dat mooi!
Overal juichende toeschouwers – Amerikanen, Japanners, Chinezen, want we waren in Amsterdam – die nu wel een heel vreemde indruk van het Amsterdamse verkeersbeeld kregen. Nergens rijdende auto's, want vanzelfsprekend was alle verkeer stilgelegd.
Gelukkig lieten de automobilisten hun motoren stationair draaien, dus je kon nog wel een aardige koolmonoxidetrip maken.

Hopsend. 

Voort ging het Amsterdam - Oost in, een hopsende massa sportievelingen.
Ik zelf liep zwijgend door, maar om mij heen klonk een vrolijk geklater en vlogen de grappen tussen lopers en publiek heen en weer.

Tot aan de eerste verversingspost. Hier verliet ieder zijn sportieve gedragspatroon, om zich rechtsom op de tafels met flesjes drank te storten, als woestijnreizigers op een bron.
Onder geschreeuw en gevloek vlogen de lege flesjes alle kanten op, anderen trapten daar dan weer op, en struikelend en vallend ging het verder.

Na een uurtje begonnen de afgelegde kilometers toch hun eerste tol te eisen.
Afgelopen was het met de grappen, slechts gehijgd en gezweet werd er, en de massa kreeg het zichtbaar moeilijk. 
Zelf bleef ik ook niet onberoerd: de wereld werd wat waziger, de toeschouwers veranderden van individuen in een grijze massa, waaruit af en toe een aanmoedigend geklap opsteeg.

De Endorfinen begonnen hun werk te doen. Maar daar maakte zich een oogverblindend mooie vrouw, een blondine nog wel, uit de toeschouwers los.
Ze kwam met kus bereide lippen op mij af. Dat moest Miss Marathon zijn, die mij reeds nu een verdiende hulde kwam brengen.
Juist wilde ik mij in haar armen storten toen ze zei: zet hem op,  pap, nog tien kilometer.Het was mijn dochter van twaalf. Toch leuk.
Na de verversing op 15 kilometer gebeurde er iets vreemds, het wegdek werd zachter en zachter, het begon te golven en kleefde aan mijn schoenen.
Dikke klodders spatten rond. Soms zakte ik tot mijn knieën in het asfalt.

Het was bijna onmogelijk de ene voet voor de andere te krijgen. Tegelijk stroomden de Endorfine uit mijn neus. Nee het werd er niet gemakkelijker op.

Het laatste stuk. Het publiek juichte, de leeuwen  in Artis brulden, en daar draaiden we het Rembrandsplein, richting Dam op. 

Wat was ik graag op de Dam geweest.  Maar er doemde nog een Amsterdams obstakel op.
Midden op het Rokin lag een ongelooflijke hoop hondenpoep, dampend en geurend, meters hoog.
Rechts en links was een nauw paadje vrijgelaten.
Maar daar stonden honderden hondenbazen met pitbull- terriërs, Dobermann-pinchers en andere tandrijke rassen, en die riepen in koor: hij doet niets hoor!
Ja, dat kende we!  Dan maar de derrie in.  We storten ons voorover maar als door een wonder kwam er een pad vrij, steeds breder en breder en voor ons verscheen het woord finish.
Nog twee stappen, nog een, het was bereikt.

Gewoon doen.

Maar nu kwam het er op aan, gewoon doen, dat was belangrijk, niks laten blijken, gewoon even een half marathonnetje gelopen.
Welke tijd? Vroeg een man naast mij die in een onmogelijke stijl kilometers lang voor me had gelopen. Een uur twee en veertig, zei ik achteloos.

Zo, zei hij, ik een negenendertig. Ik wist dat hij loog. Ik feliciteer hem. Dat is sportief.
Nog even de legpenning gehaald, een kwartier bezweet wachten in de nu ijzige kou.
Mijn trainingsbroek met 20 Euro erin was verdwenen, maar mijn auto radio had ik nog, want ik was met de trein.
Het was een mooie dag en het was een mooie tocht, maar zo 'n halve marathon, blijft een heel eind lopen. 
 

Een halve zool. ( gert arentz )